Vikingen: meesters van de amfibische krijgskunde, door Gerard Celosse

2
1678


De Vikingen worden bij ons vooral geassocieerd met bloeddorstige, bebaarde krijgers die met gehoornde helmen uit het niets in drakenboten opdoken om vervolgens plunderend en moordend  voorwaarts te gaan. Helaas geeft dit een zeer onvolledig beeld van de Vikingen, want naast het plunderen hielden de Noormannen zich intensief bezig met maritieme handel binnen een uitgebreid handelsnetwerk, ontdekten zij nieuwe werelden en waren het uitstekende scheepsbouwers. Vanaf het midden van de achtste eeuw trokken de Scandinavische gelukzoekers de wereld in waarin ze drie eeuwen lang angst zaaiden met hun verrassingsaanvallen. Met hun ranke zeilschepen en uitstekende kennis van zowel rivieren als zeeën bereikten ze gebieden van het huidige Afghanistan en Irak tot aan Canada toe. Geen enkel ander zeevarend volk in Europa legde in die tijd dergelijke afstanden af. Daarnaast koloniseerden ze grote delen van Groot-Brittannië, Frankrijk en IJsland. Dankzij hun maritieme kennis werden de Vikingen meesters van de amfibische krijgskunst die aanmerkelijke overeenkomsten vertonen met de tactieken van de moderne marine-raiders. Speciale aandacht in dit artikel wordt gegeven aan de rol van de Friese Vikingen….Friese Vikingen? Ja, u leest het goed, want ondanks dat de Vikingen van oorsprong uit Scandinavië kwamen, speelden de Friezen een dusdanige rol tijdens de middeleeuwse maritieme oorlogsvoering dat het eigenlijk niet kan dat de Nederlandse marinier hier weinig tot geen kennis van heeft. Vandaar dat dit artikel voornamelijk gaat over de Deens en Friese Vikingr.


De mensen die vroeger in Scandinavië woonden worden vaak aangeduid als Vikingen, toch is deze benaming voor het noordelijke volk niet correct. Men sprak namelijk over Noormannen, of in het Latijn Nordmanni (De FranseregioNormandië, het land van de Noormannen, ontleent haar naam aan de Vikingen). Viking zijn is namelijk een professie en is dus geen volk of etniciteit. Het zou hetzelfde zijn als in de toekomst iedereen die uit Doorn kwam werd omschreven als marinier, omdat mariniers daar toevallig vandaan kwamen. De oorsprong van het woord Viking komt van het Oud-Noorse woord Vikingr, wat zoiets betekent als piraat of zee-krijger. De periode tussen de laat 8e eeuw en de late 11eeuw staat ook wel bekend als de Vikingtijd.

De Noormannen leefden voornamelijk als vrije boeren in een agrarische gemeenschap in een gebied wat bestond uit tientallen koninkrijkjes die elkaar onderling beconcurreerden. De landen Noorwegen, Zweden en Denemarken bestonden toen nog niet, een vorm van nationalistische eendracht was de Noorderlingen dan ook onbekend. Wel vormden de diverse Germaanse stammen (incl. Friezen) een etnische eenheid en deelden zij eenzelfde krijgscultuur inclusief een bijbehorende militante religie waarin oorlogsgoden werden vereerd.

De zekere vrijheid die de Noormannen genoten in een op oorlogsvoering gerichte samenleving werkte individuele initiatieven in de hand. Vooral jonge mannen zochten dankzij hun vrijheid het avontuur op en trokken eropuit als handelaren, ontdekkingsreizigers of huurlingen. De ontwikkelingen binnen de scheepsbouwkunde, m.n. door de combinatie van het zeilen en roeien,  zorgden ervoor dat de Noormannen ook overzeese handelsreizen konden maken, wat hun handelsnetwerk aanzienlijk vergrootte. Waar Deense handelaren voornamelijk langs de West-Europese en Engelse kusten voeren, vertrokken Zweedse kooplieden richting de Zwarte Zee dwars door de binnenlanden van het huidige Oekraïne en Rusland, waar ze uiteindelijk in Constantinopel (het huidige Istanbul) contact maakten met de Byzantijnen.

Deense en Friese Vikingen

Denen en Friezen waren in feite een broedervolk dat veelzijdige historische en culturele banden met elkaar deelde. De zeevolkeren deelden daardoor ook een gezamenlijke kennis op het gebied van maritieme (technologische) ontwikkelingen. De bevolking van Scandinavië was van oudsher al aangewezen op de scheepvaart door de vele eilanden en fjorden die hun land rijk was. Vervoer over water ging immers stukken sneller dan over land. Het Nederland van toen was, net als Scandinavië, ook een waterrijk land waar het verkeer traditioneel over water ging. De Friezen genoten hierdoor een uitstekende kennis van de scheepvaart wat een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de langeafstandshandel die, tot op de dag van vandaag, is terug te vinden in onze maritieme economie en de handelsgeest van menig Nederlander.

De Friezen hadden het echter aan de ligging van hun land te danken dat zij een zo mogelijk nog grotere rol speelden in de overzeese langeafstandshandel dan de Denen. Door hun centrale ligging tussen het Frankische rijk en het gebied van de Noormannen hadden de Friezen een dominante positie in het Noordwest-Europese handelsverkeer. Zo dreven ze intensief handel met zowel de christelijke Franken in het zuiden, als met de heidenen uit het noorden.  De Friezen hadden zelfs handelskoloniën tot diep in Scandinavië bij grote havenplaatsen als Ribe (Zuidwest-Denemarken) en Hedeby (Zweden). Het Friese Dorestad (huidige Wijk bij Duurstede) gold als een van de belangrijkste en succesvolste havensteden in West-Europa. Door zijn strategische ligging, waar twee handelsroutes over water elkaar kruisten, is Dorestad meer dan eens de inzet geweest van veldslagen tussen de heidense Friezen en de Franken waarbij Dorestad in 719 definitief in de handen van de Franken kwam.


Impressie van de haven van Dorestad (Bron:http://www.dorestadonthuld.nl/H11.h 1)

Bron:http://www.vliz.be/vleet/content-vl 1

Maritiem verkeer trekt echter ook piraterij aan, net zoals de landhandel struikroverij aantrok. Deze piraten waren voornamelijk actief rond de wateren van Scandinavië, het Baltische gebied en de Noordzee. Naarmate de handel langs de Friese kustgebieden intensiveerde en de waarde van de handelswaar steeg gebruikten piratenbendes steeds vaker de Waddeneilanden als een soort Forward Operating Base. De eilanden vormden voor de piraten ook een safehaven. Dat had voornamelijk te maken met het gegeven dat er in het vroeg-middeleeuws Europa geen maritieme mogendheden waren die in staat waren om grote legers over water te transporteren. De tactische bezetting van eilanden heeft er mede toe bijgedragen dat de piratenbendes zich uiteindelijk veilig konden ontpoppen tot ware Vikinglegers.

Net als de Denen en andere Scandinaviërs hadden de Friezen hun eigen scheepstypes die wendbaar moesten zijn. Zij moesten kunnen zeilen op open zee, maar moesten ook roeiend de ondiepe (binnen-)wateren kunnen bevaren om handelssteden te bereiken die diep in de binnenlanden lagen. De Friese scheepsbouwers moesten ook rekening houden met de invloeden van de getijden (m.n. in het waddengebied) bij het ontwerpen van de schepen. Van België tot West-Denemarken leefde namelijk een groot aantal boeren die langs de kust op kunstmatige heuvels woonden, die terpen werden genoemd (het woord terp is een Friese variant van ‘’thorp’’; dorp). Bij de meeste terpen ontbraken echter aanlegsteigers waar handelsschepen konden afmeren. Omdat de boer in samenwerking met handelaren toch zijn gewassen op de markt wilde brengen en de handel voornamelijk maritiem ging, hadden ze schepen nodig waarmee ze tijdens laag water soepel konden manoeuvreren. Daarnaast moesten de schepen, bij gebrek aan steigers, ook kunnen landen op stranden om te laden en lossen. Eenmaal aan land moesten de schepen ook weer gemakkelijk terug de zee in kunnen worden geduwd, waardoor het scheepsgewicht dus ook niet te zwaar mocht worden. Al met al begint hier een zekere amfibische kennis te ontstaan waar een grootdeel van de tactieken en procedures die door de Vikingen werden toegepast op is gebaseerd. Dat deze maritieme krijgskennis niet is geëindigd bij de Vikingen blijkt wel uit het feit dat het huidige amfibische optreden grotendeels op dezelfde wetenschap is gefundeerd.

De Friezen en Denen domineerden dus, o.a. dankzij hun voorsprong in de scheepvaarttechnologie en geografische ligging, de maritieme handel in en rondom de Noord- en Baltische zee. Een ander belangrijk facet wat de Noormannen heeft doen besluiten om op Vikingr te gaan, hebben ze te danken aan de diverse handelsnetwerken die zijn verkregen door maritieme handelaren. Doordat zij in diverse uithoeken in en rondom de Noordzee hun waar op de markt brachten, verkregen de kooplieden inzicht in de politieke en militaire situatie van een bepaalde regio. In militaire terminologie zouden we kunnen spreken over het verkrijgen van een situation awareness and understanding.  Waarschijnlijk vertelde de koopman bij terugkomst aan het thuisfront mooie verhalen over zijn overzeese avonturen en over de welvaart die hij op diverse locaties ontdekt had, net zoals wij graag onze vakantieavonturen willen delen (incl. de vakantiekiekjes) met onze familie en vrienden. De informatie waar de kooplieden mee terugkwamen moet menig krijgsheer welwillend ter ore zijn gekomen, m.n. de verhalen over rijkdommen die in het bezit waren van christelijke heiligdommen als kloosters en kerken. Het is daarom aannemelijk dat diverse krijgsheren de handelaren gingen gebruiken als een routineuze ‘maritieme’ inlichtingendienst die op pad werd gestuurd met Priority Intelligence Requirements (PIR’s). Enkele PIR’s konden bijvoorbeeld zijn de exacte locaties van de kloosters: hoe ziet de verdediging eruit, heeft het vestingmuren, aantal soldaten, hun bewapening, het moreel van de troepen, vanuit welke richting kunnen de schepen ongezien naderen, op welk strand kunnen we landen zonder vast te lopen op rotsen? Amfibische landingen werden zelden bij duisternis uitgevoerd vanwege het risico dat rotsblokken niet tijdig werden opgemerkt. Om het ontdekkingsrisico tijdens de landing bij daglicht toch te minimaliseren konden Vikingen verkleed als koopman dienst doen als ‘amfibisch’ verkenningselement die de landingsplaatsen moesten gaan verkennen. Was de kust eenmaal veilig dan kon op afgesproken teken de zeilen worden gestreken (om het silhouet te verkleinen) en konden de zee-strijders roeiend de landing in gaan zetten.


Vikingschip Bron: onbekend

Van trading naar raiding.

Op 8 juni 793 wordt Lindisfarne, de belangrijkste en zeer rijke kerk in Northumbria, gelegen op een getijdeneiland voor de noordoostelijke kust van Groot-Brittannië, geplunderd en verwoest door een groep Vikingen. De jaren daarvoor moet het nabijgelegen klooster onvermijdelijk populair zijn geweest bij  handelaren en ambachtslieden die erheen trokken om te voorzien in de behoefte van het grote aantal gehuisveste monniken. De goud met zilveren miskelken en crucifixen die stonden opgesteld in de kerk, waar priesters in zijden gewaden voorlazen uit met edelsteen versierde geschriften, moet menig handelaar niet zijn ontgaan. Waar de heidense handelaren denkelijk nog het meest verbaasd over waren, was dat al deze kostbaarheden onbewaakt werden, tot genoegen van de Vikinghoofdman die hier kennis van kreeg.

De heidense aanval op Lindisfarne had grote invloed op de christelijke samenleving en kan wel vergeleken worden met de aanslag van 9/11. Ondanks dat zowel de Amerikanen als de vroegmiddeleeuwse monniken zich onkwetsbaar voelden voor aanvallen van buitenaf, vertrouwden de Amerikanen misschien wel op God, maar ze maakten hem niet verantwoordelijk voor hun defensiebeleid. De vroegmiddeleeuwse christenen deden dat wel. Door de defensie in handen van God te leggen bleven tal van heiligdommen in heel Europa onbewaakt. Er was geen christen die het waagde om een kerk te gaan plunderen, alleen de Noormannen deden geen zaken met hun God. Geen wonder dat de Vikingen het aantrekkelijke doelwitten vonden. De dramatische gebeurtenis op Lindisfarm luidde het tijdperk van de Vikingen in. Doordat het vroegmiddeleeuwse Groot-Brittannië was verdeeld in meerdere Angelsaksische koninkrijken, ontbrak het aan een collectieve verdediging-strategie waar de Vikingen maximaal van konden profiteren. Kort na het drama in Lindisfarne werden ook andere gebieden het slachtoffer van de plunderingen, zoals in Wessex, Ierland en Schotland. Veel Europeanen geloofden dat de dag des oordeels was aangebroken.

De eerste aanvallen begonnen als kleine ‘kaper’-ondernemingen, georganiseerd door krijgsheren die de middelen beschikbaar hadden om een expeditie te leiden. De confrontatie met militaire eenheden werd daarbij zoveel mogelijk vermeden, daarom was een goede informatiepositie zo cruciaal. Dankzij de plunderingen vergaarden diverse hoofdmannen steeds meer rijkdom en glorie, waardoor ze thuis steeds meer macht konden uitoefenen. Zo konden ze meer krijgers in dienst nemen, meer schepen laten bouwen en betere uitrusting aanschaffen voor nieuwe expedities.


Bron:  http://www.gjallar.nl/walcheren.html

De Vikingkrijgers

Aangezet door verhalen over de rijkdom en glorie die te vergaren vielen, gingen veel jonge avonturiers mee op expeditie. Een andere oorzaak waarom jonge mannen kozen voor een Viking-carrière kwam door een gunstige klimaatsverandering waardoor de bevolkingsgroei in Scandinavië aanzienlijk toenam. De Noorse bevolking groeide harder dan het land kon huisvesten en door de overvloedige oogsten en het proteïnerijke (vis) voedsel ontstond een weldoorvoed, groot en sterk volk, dat op de rest van de wereld een grote indruk moet hebben gemaakt. Gedwongen door de bevolkingsdruk in eigen land en het vooruitzicht op rijkdom en glorie trokken de Noormannen op Vikingr uit.

Doordat Scandinavië in de middeleeuwen werd bewoond door meerdere elkaar beconcurrerende clans is er een ware krijgscultuur ontstaan. In een wereld waar kinderen niet verslaafd achter hun smartphones zaten en als prinsjes werden opgevoed, werden ze van jongs af aan al getraind in de mixed martial arts, de kunst van het vechten, zowel enkele man als in formatie, met, of zonder wapens. Zij vormden ten slotte de toekomstige defensie van hun clan. Hun dag bestond uit stoeien, klimmen en klauteren. Daarnaast moesten ze ook aan het werk op het land en leerden ze oogsten en jagen. Dit kwam goed van pas op het moment dat de Noormannen grote gebieden gingen koloniseren en er was nog niks.

Wat hierboven reeds is aangehaald, is de zekere vrijheid waarin de Noormannen en Friezen hun bestaan konden leven. In kleine stamstructuren, of clans die in harde klimatologische condities moesten zien te overleven werd van een ieder, van hoog tot laag, verwacht dat hij participeerde in het overlevingsproces, wat als rode draad door de samenleving liep. Wie de koudweer-training, specifiek de survivalweek, heeft ondergaan, weet als geen ander dat je op elkaar bent aangewezen: je hebt elkaar nodig om te overleven! Daarnaast draaien de hersenen overuren doordat je continu aan het innoveren bent om maar uit de elementen te geraken… en de buik te vullen. Je wilt een onderkomen maken, het liefst verwarmd d.m.v. een kampvuur. Er is dus rookafvoer nodig zodat de rook niet blijft hangen. Er moet ook gegeten worden; iemand moet dus vallen gaan zetten, terwijl anderen met primitieve wapens aan het jagen zijn. Er moet dus ook kennis zijn van (land-)navigatie om de weg terug te vinden. Net als moderne mariniers waren dus ook de Vikingen aangewezen op de enkele man drills maar ook op elkaar, dit vormde een ware band of brothers….in arms!!

De manier van leven moet invloed gehad hebben op de commandovoering binnen diverse samengestelde Vikingeenheden, ze kregen geen specifieke orders van legeraanvoerders die onder bevel stonden van koningen, maar geneerden zelf hun opdracht en hoe ze die uitvoerden was voor een belangrijk deel aan henzelf. Hun Germaanse afstammelingen; de Pruisische krijgers, noemden dit de ‘auftragstatik’. Deze manier van bevelvoering zien we terugkomen bij het optreden van de huidige krijgsmacht, waar een grote verantwoordelijkheid ligt bij het lager uitvoerende niveau: de onderofficieren en pelotonscommandanten. Net als de commandant van een Viking-expeditie, die zonder communicatie zijn opdracht moest zien uit te voeren, geldt dit in mindere mate ook voor de sergeant en luitenant binnen het moderne militaire optreden.

Ondanks hun woeste reputatie waren de Vikingen geen onoverwinnelijke supermensen. Hun wapens waren niet beter dan die van de Franken of de Angelsaksen en evenmin gebruikten ze op het slagveld superieure tactieken. Wat de Vikingen zo succesvol maakte was hun mobiliteit en inzetmethodiek. Hierdoor behielden zij meer dan eens het initiatief. Met hun schepen konden ze opduiken waar en wanneer het ze uitkwam, ze konden op kusten landen of ze kozen voor de riverine-operations. Als de plaatselijke strijdmachten hen opwachtten, konden ze simpelweg rechtsomkeert maken om hun geluk elders te beproeven. Wat mariniers en parachutisten onderscheidt van reguliere infanterie-eenheden ligt ook voornamelijk in hun inzetmethode en het verrassingselement. Eenmaal aan land zijn ze in feite weer gewoon infanteristen, met het grote verschil dat ze, net als de Vikingen, voor langere periode self-supporting moeten zijn en dat vergt een geharde gedisciplineerde krijger.

De eerste kleinschalige raiding-operaties van de Vikingen hebben wellicht de grootste overeenkomsten met (maritieme) special operations die worden uitgevoerd in vijandelijk gebied. Beide partijen willen het liefst heimelijk hun doelwit bereiken om een troop in contacts situatie te vermijden. Om het verrassingseffect te waarborgen hadden Vikingen daarom ook schepen nodig die snel op stranden konden landen zodat ze onafhankelijk waren van havens die bewaakt werden. Eenmaal aangekomen in de nabijheid van het doelwit verkregen de Vikingen nog de laatste “ground truth” informatie zodat ze hun aanvalsplan nog enigszins konden bijstellen. Daarna sloegen ze snel toe, waarbij ze zoveel mogelijk buit vergaarden om tot slot zo snel mogelijk richting de schepen te vertrekken voor er versterking aankwam.

Wapens

Omdat in het begin de expedities kleinschalig waren en de Vikingen gebruik maakten van zogenaamde hit-and-run tactieken was de eerste lichting Vikingen licht bewapend. Daarnaast ontbrak het ze aan een defensiebudget om solide materiaal aan te verschaffen. De bewapening bestond voornamelijk uit een houten schild en speer. Alleen de allerrijkste krijgsheren konden zich een dure wapenuitrusting permitteren. De prijs van zwaard, maliënkolder en helm tezamen stond ongeveer gelijk aan een gemiddelde hypotheek. Bijlen waren tevens favoriet doordat ze multifunctioneel waren, zij konden zowel als gereedschap als wapen dienen. Een populaire bijl was de dane-axe: het blad van deze bijl zat bevestigd op een lange steel waarmee op afstand kon worden ingehakt op de schildmuur van de tegenstander om een opening in de verdediging te creëren, gevolgd door een riedel speren. Het schild vormde een zeer belangrijk onderdeel van de wapenuitrusting. Vooral bij het houwen met bijlen of zwaarden raakte de zijkant van het lichaam bij het opzetten van de slag onbeschermd. Het schild bood daarom bescherming om te voorkomen dat de tegenstander zijn speer of zwaard in de onbeschermde flank kon steken.


Slagen werden voornamelijk uitgevochten met speren, bijlen en schilden. Helmen werden zelden gedragen en helmen met hoorns bestonden al helemaal niet.
Photo: Johan Nyborg Andreassen)

Wanneer groepen Vikingen werden verrast door de tegenstander konden ze een verdedigende lineaire formatie formeren: de schildmuur, waarin elke krijger in het gelid stond terwijl zijn schild dat van zijn buurman overlapte. In oorlogsvoering is de verdedigende partij meestal in het nadeel doordat het zijn momentum verliest. Strijders die het voornamelijk van hun mobiliteit moeten hebben zullen dan mogelijk niet gauw voor deze formatie kiezen. Eerder zullen ze proberen het gevecht te vermijden door te vluchten. Klinkt niet erg heldhaftig, maar voor kleine, lichtbewapende eenheden is dit de enige manier van overleven. Een ander nadeel van de schildmuurformatie is dat de raiders geen lichaam bedekkende bescherming droegen. De enige bescherming die ze hadden was het ronde schild, dat door een paar goede treffers al kon worden verbrijzeld (iets met spullen van de baas…!). Het schild dekte ook niet alles af. Voornamelijk de schenen werden blootgesteld aan de speerstoten van de tegenstander. Probeerde je dat af te dekken met je schild dan werd je hoofd weer blootgesteld aan een slag met een bijl.  Waarvan met zekerheid gezegd kan worden dat ze in schildmuur (falanx) formatie vochten, waren de Griekse Hoplieten en Romeinse legionairs. De Hoplieten gebruikten daarbij ook ronde schilden (de hoplon), maar zij droegen echter wel scheenplaten die hun onderbenen beschermden. De Romeinen gebruikten i.p.v. ronde schilden grote rechthoekige schilden die zowel het hoofd als de benen kon beschermen. Daarnaast gebruikten de Romeinen voornamelijk steekzwaarden (Gladio) i.p.v. slagwapens waardoor de formatie beter in stand bleef.  

Naarmate de plundertochten in frequentie toenamen, begonnen verschillende machthebbers zich beter voor te bereiden op een mogelijke inval. Hierdoor werden de Vikingen steeds vaker gedwongen om het gevecht aan te gaan. Dit veranderde ook hun Tactics, techniques and procedures (TTPs). Om toch opgewassen te zijn tegen een goed getraind verdedigingsleger, begonnen de Noorse krijgsheren onderling allianties te sluiten om samen op expeditie te gaan. Oftewel, wat ooit begon op niveau 1: het opleiden van de jeugdige individuele krijger aan het thuisfront, ging uiteindelijk over naar niveau 2: het groepsoptreden. Toen de eerste groepen krijgers terugkeerden van hun overzeese missie met hun stoere verhalen en rijke buit moeten ze vast en zeker indruk hebben gemaakt op de thuisblijvers en de verschillende Heidi’s. Dit had een aanzuigende werking op meer potentiele krijgers, zodat het optreden langzaam overging naar het niveau 3 en 4 optreden;  het peloton- tot compagnies-niveau. Door de alliantievorming en de rijkdommen die binnenstroomden door de plunderingen groeiden Vikingcoalities uiteindelijk uit tot brigade-niveau, de bekendste was wel het grote heidense leger.

Het grote heidense leger

De Vikingperiode kan men in twee periodes onderverdelen. Die van 789-840, waar het voornamelijk ging om plundertochten waarbij een gebied dat werd aangevallen even snel weer verlaten werd. En die vanaf 840, waarin ze meer gestructureerd te werk zijn gegaan en men zelfs begon met het koloniseren van overzeese gebieden. Na jaren van stabiliteit brak in het jaar 840 in het Frankische rijk een burgeroorlog uit, die ten koste ging van een georganiseerde verdedigingsstrategie die de Franken jarenlang had beschermd tegen Vikingaanvallen waar Engeland zo zwaar onder te leiden had gehad. Nu waren de Franken aan de beurt. In 845 belegerden de Vikingen zelfs Parijs met een vloot met duizenden mannen aan boord, waarna ze werden afgekocht met een enorm bedrag, dat ze uiteindelijk konden gaan investeren in een nieuwe invasie. Door dit soort complexe en grootschalige operaties verkregen Vikingen steeds meer ervaring in het uitvoeren van grootscheepse aanvallen. Ze durfden nu zelfs vestingsteden aan te vallen en het gevecht aan te gaan met grote vijandelijke legers. Met genoeg niveau 6 (brigade) kennis in huis begon een Vikingleger onder leiding van Ivar the Boneless en Ubba, welke laatste mogelijk van Friese afkomst was, in 865 aan de grootste invasie op Engels grondgebied sinds de inval van de Romeinse legioenen in het jaar 43.

Het leger bestond uit een coalitie van Noorse, Zweedse en Deense Noormannen. Maar van een aan de Denen verwant volk kunnen we ook onder de Vikingen Friezen verwachten die deelnamen. De Friezen stonden tenslotte in de late zevende of begin achtste eeuw al als piraten bekend die regelmatig rond de Britse eilanden werden gesignaleerd. Ook maken oude geschriften melding van een ‘heidens leger van Denen en Friezen’ die waren geland (855) op het Britse eiland Sheppey.  Er zijn zelfs verhalen dat het grote leger in Frisia is ontstaan. Grote delen van Frisia zijn namelijk rond 850 veroverd en bezet geweest door de Denen. Nadat de Friezen werden overheerst door de Franken koos een groot aantal Friese vrijbuiters ervoor zich aan te sluiten bij hun Deense broeders.

Zoals eerder vermeld gebruikten de vrijbuiters diverse eilanden als schuilplaats. Het eiland Walcheren werd voor de Denen en Friezen een zeer belangrijk eiland. Friese Vikingen werden mogelijk zelfs de Scaldini genoemd, wat zoiets betekent als: mensen van de rivier de Schelde. Op Walcheren waren de vrijbuiters buiten het bereik van de Frankische legers die een gebrek hadden aan maritieme kennis en middelen om het eiland te zuiveren en te bezetten. Walcheren kon zo als FOB dienen waar op een gunstige wind kon worden gewacht die de geformeerde eenheden richting het Angelsaksische eiland moesten blazen.

Na de geslaagde amfibische invasie op het vasteland van Engeland behaalden de Vikingen jarenlang meerdere overwinningen op de Angelsaksische vorstendommen en veroverden steeds meer gebied. In 871 arriveerde ook nog eens het ‘Grote Zomerleger’ direct uit Scandinavië, wat het leger aanzienlijk versterkte.  Het was uiteindelijk de koning van Wessex, Alfred de Grote, die de Noormannen kon tegenhouden. Alfred’s succes tegen de expanderende Vikingen is vooral te danken aan zijn organisatievermogen. Hij organiseerde een staand leger en introduceerde een soort dienstplicht, zodat eenheden zich konden voorbereiden op de veldslagen. Ook organiseerde hij een maritieme macht waarmee hij net zo mobiel werd als zijn tegenstanders. Alfred wordt daarom ook wel de grondlegger genoemd van de Britse marine. Na diverse veldslagen werd er eindelijk een compromis gesloten tussen beide partijen en werd de Denen een eigen gebied toegewezen waar hun eigen wetten gelden, dit gebied werd het Danelaw genoemd.  

Nawoord

Veel historisch en archeologisch onderzoek is door de eeuwen heen gedaan met betrekking tot de Scandinavische Vikingen; van hun dieet tot hun scheepsbouw. Er is veel geschreven over Vikingen, door dichters, academici en historici, maar heel weinig door militairen of krijgswetenschappers. En dat is op zich jammer want krijgers, krijgskunstenaars en (elite-)militairen hebben een speciaal inzicht in wat wezenlijk een Viking betekent. De maritieme kennis van de middeleeuwse Friezen hebben misschien het fundament gelegd waarop Michiel de Ruyter (toevallig afkomstig uit Walcheren) zijn raids kon uitvoeren op Chatham, want lang voor zijn tijd voerden Friese Vikingen al de Theems op om in het Engelse achterland amfibische raids uit te gaan voeren.

Waarom het interessant is om de Vikingtijd onder de aandacht te brengen is omdat het grote overeenkomsten heeft met moderne (maritieme) special operations. De redenen waarom de Vikingen zo effectief waren in de krijgskunde was omdat ze voornamelijk uit excentrieke motivatie handelden; ze hadden de wil om te winnen. Daarnaast moeten ze uitstekende leiders gehad hebben, hun leiders verkregen deze positie namelijk alleen wanneer ze uitblonken in hun krijgsmanschap, niet vanwege een schooldiploma. Alleen goede leiders konden immers genoeg vrijwilligers achter zich krijgen om op Vikingr te gaan. De Vikingen waren continu opzoek naar onorthodoxe manieren om een sterkere, reguliere, tegenstander te slim af te zijn. De getraindheid, hardheid en teamspirit van hun mannen speelden hierin een essentiële rol.  ‘Speed, agression and surprise’ zijn de kenmerken die zowel operators als de Vikingen ambieerden. Laten we daarom trots zijn op onze maritieme Noordzee-strijders.

Los artikel

Oude geschriften afkomstig uit de oude byzantijnse hoofdstad Constantinopel (huidige Istanbul) die zijn teruggevonden maken melding van de ‘Rus’. De Rus werden de Vikingen genoemd die afkomstig waren uit het huidige Zweden. De woeste Noormannen zeilden met hun schepen namelijk niet alleen naar West-Europa, maar ook oostwaarts via de Finse Golf om vervolgens zuidwaarts via de rivieren als de Don en de Dnjepr de kusten van de Zwarte Zee te bereiken. Tijdens deze expedities stichtten diverse Vikingclans nederzettingen langs de rivieren, die de basis gingen vormen van het huidige Rusland en Oekraïne. Byzantijnse geleerden beschreven de Vikingen als grote mannen met rood en blond haar die voornamelijk bewapend waren met bijlen. Tevens maken de geschriften er melding van dat deze mannen allerlei vreemde tekens op hun lichaam droegen wat mogelijk kan verklaren dat de Vikingen getatoeëerd waren (hiermee meteen de eerste overeenkomst met de moderne marinier).  De Viking-huurlingen die voor de Byzantijnen vochten werden Varjagen (Engels: Varangian) genoemd. Door hun kennis op het gebied van amfibische raids werd een groot aantal Varjagen als mariniers toegevoegd aan Byzantijnse maritieme expedities. Er is zelfs melding van dat Varjagen in 955 vochten tegen de islamitische legers van de Arabieren in Syrië.


The Varangian Guard. Art by Angus McBrid 1

Geraadpleegde bronnen:

Vikingen – Noormannen in de Lage Landen: Luit van der Tuuk

Noormannen: de Vikingsaga 793-1241:  John Haywood

The Vikings: A History: Robert Ferguson

http://www.dorestadonthuld.nl/H11.html


Geschreven door en opnieuw gepubliceerd met de toestemming van de auteur Gerard Celosse.

Bedankt voor het lezen,

Mark.

2 REACTIES

Geef een reactie